Uitgelichte vensters:

Van Ambacht naar Innovatie; een Pioniersverhaal in DuurzaamheidWat begon in de smederij en het traditionele installatiewerk, groeide in de jaren 70 uit tot een missie voor de toekomst. Gedreven door de energiecrisis en de idealen van 'De Kleine Aarde', verschoof mijn focus van conventionele verwarming naar de onontgonnen wereld van duurzame energievoorziening.Als ondernemer zag ik kansen waar de markt nog aarzelde. Van het hergebruiken van afvalwarmte en het ontwikkelen van zon-luchtsystemen in Portugese 'Butler'-woningen, tot het realiseren van eigen wind- en zonne-energieprojecten. Het was pionierswerk in de zuiverste vorm. Door eigenzinnigheid te combineren met de techniek, slaagden we erin om — tegen de tijdgeest in — de eerste honderd zonnecollectoren en speciaal ontwikkelde zonneboilers op de kaart te zetten, in Bunnik!Met een compact en flexibel team van uiteindelijk vijf specialisten bewezen we dat duurzaamheid geen abstract concept is, maar een kwestie van doen. Dit is het verhaal van mijn onderneming die niet wachtte op de transitie, maar deze zelf vorm gaf. En natuurlijk was dit alles geënt op mijn basis; onze ouders Otto en Elisabeth Van Echtelt – Van Dijk. .Mijn verhaal begint in Bunnik, waar ik, Piet van Echtelt, werd geboren als zoon van Otto Bernardus Van Echtelt, geboren in 1905 in Werkhoven en Elisabeth van Dijk uit Utrecht. Het bedrijf, dat mijn vader begon in Bunnik, is nog altijd gevestigd op dezelfde plek, Smalleweg als G.B. van Echtelt en Zn.. Een familiebedrijf dat sinds 1934 al drie generaties lang specialist is op het gebied van open haarden, houtkachels en gashaarden.  Beide ouders van mij kwamen uit families waarin het werken met staal en ijzer centraal stond. Ook Elisabeth groeide op in een ambachtelijke omgeving. Haar vader werkte bij de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht.  We waren een echt katholiek gezin, geworteld in de klei van de Kromme Rijnstreek en gevormd door het harde, eerlijke werk in de smederij. Door de geschiedenis heen, van de middeleeuwen tot ver in de 19e eeuw, had vrijwel ieder dorp zijn eigen smid. In Bunnik waren er zelfs drie. De familie van Echtelt was de Rooms Katholieke smid. Terwijl de andere twee smederijen in het dorp Protestants waren.  De eerste generatie; het ambacht in Werkhoven De oorsprong ligt bij opa en oma van Echtelt in Werkhoven. Mijn opa begon in dit dorp een smederij aan de Ambachtstraat. Het was een plek van vuur, ijzer en vakmanschap. Dat de jongens in de familie ook smid zouden worden, stond destijds bijna vast. Op een oude foto uit de jaren dertig zie ik twee broers van mijn vader staan bij een groot wagenwiel van een mallejan; een beeld uit een tijd die inmiddels ver achter ons ligt, maar die de basis legde voor alles wat volgde. De tweede generatie; onze familie was overal aanwezig Niet alleen mijn vader Otto was ondernemend, zijn broers waren in Werkhoven en Cothen ook met een bedrijf begonnen. Zijn broer Toon uit Werkhoven had een winkel in huishoudelijke artikelen en speelgoed. Joop uit Werkhoven besloeg paarden en dit groeide uit tot een electra, sanitair en staal constructiebedrijf. En Jan had in Cothen een smederij aan de Brink en een staalconstructiebedrijf. Zelfs mijn dove oom Dirk, een broeder bij de Patriciërs, wist zijn weg te vinden; hij stapte zelfs brutaalweg bij Anton Philips naar binnen voor een gehoorapparaat!Mijn vader was een Rijks gediplomeerd hoefsmid en werkte aanvankelijk in Weesperkapel voordat hij zich in 1934 definitief in Bunnik vestigde.  Zijn bedrijf aan de Smalleweg in Bunnik werd het middelpunt van ons leven. Ik herinner me nog goed hoe de paarden van de boeren uit de omgeving werden beslagen. Ook werden onderstellen voor paard en wagen gemaakt, en later bouwden zij onderstellen voor de schaft en directie wagens. De opbouw van het houtwerk werd gemaakt door een apart bedrijf Molendijk.  We groeiden mee met de houthandel van Van Dam en openden een winkel in huishoudelijke artikelen en schaatsen. Als jongen van acht stond ik al schaatsbandjes te verkopen op de ijsbaan.  De derde generatie; van kolenvuur naar energiespecialist Omdat de tijden veranderden met de ontdekking van het aardgas in Groningen eind jaren zestig, maakte de smederij een enorme transitie door. De vlam van het smidsvuur maakte plaats voor de vlam van de gaskachel en de CV-ketel. Mijn broer Gerard transformeerde de werkplaats van smederij tot magazijn voor nieuwe gashaarden en de opkomende centrale verwarmingsketels.  Omdat aardgas een hogere energetische waarde en druk heeft dan het oude stadsgas, moesten branders en sproeiers worden vervangen. Dit zorgde voor een enorme piek in werkzaamheden voor ons lokale vaklieden. Waar de Gas Unie en lokale energiebedrijven het hoofdnet aanlegden, lag de taak van de binnenhuise installatie bij de installateur. Het smidsvuur verschoof naar de soldeerbrander en de draadsnijmachine, èn naar de energiespecialist.  Muziek en Techniek Naast het ijzer zat de muziek ons in het bloed. Waar mijn ooms Joop en Toon bij fanfare Constantia speelden, koos ik voor mijn eigen pad: van gasflessen naar geluidsgolven. De vonk sloeg over op de Bunniker kermis, waar ik als jongen gasflessen bezorgde bij woonwagens. Tussen het gesis door werd ik gegrepen door het machtige geluid van het draaiorgel. Jaren later in Nieuwegein hoorde ik datzelfde 'pierement' en ontmoette ik de man erachter: de zoon van mijn oude kermismaatje van de kermis. Die kermisbepalende sound veranderde alles. De familiale ondernemersgeest bleef, maar ik verruilde de hamer voor knoppen en kabels. Als tiener sjouwde ik al apparatuur in zalencentrum De Grondslag, en tijdens de moderne beatmissen in de kerk verzorgde ik het geluid. Het was een unieke combinatie van het oude familie-ambacht en mijn eigen passie, waarmee ik letterlijk en figuurlijk de juiste toon wist te zetten. Jeugdsentiment in Zuilen We hadden als jongens onze eigen Drive-In discotheek op onze aanhangwagen. Zo verzorgden wij evenementen in het Pastoor Schiltehuis. Dit was een bekende plek voor jongeren in Utrecht. Het gebouw in de Ludgerusstraat in Zuilen had ook een poppodium, waar bekende namen van popartiesten optraden, zoals The Golden Earrings, The Jugglers, The Jets tot aan Unit Gloria. Omdat ik veel in Utrecht was te vinden ontmoette ik hier Laura Splinter, dochter van de bakker in de Paul Krugerstraat. We kwamen elkaar tegen in één van de kelders tegenover de bioscoop Rembrandt in Utrecht, ‘La Grotta’.  Een eigen plek; P.H. Van Echteld Installatie- en productie bedrijf van zonne-energie In de begintijd van mijn huwelijk met Laura, in 1972, begon ik in het bedrijf van mijn vader als cv-installateur. We woonden destijds in Utrecht, maar uiteindelijk trok het ondernemende bloed me terug naar Bunnik. Daar startte ik mijn eigen verwarmingsinstallatiebedrijf met één werknemer. Dit deden we vanuit onze twee-onder-één-kapwoning aan de Rijnzichtlaan 22. We woonden daar precies tussen de timmerfabriek Snel en de doe-het-zelfzaak van Joop van Schaik, die later naar de Dorpsstraat verhuisde. Pionierswerk In de jaren 70 ontstond, mede door de energiecrisis, een sterke ambitie om naast een regulier installatie- en verwarmingsbedrijf de mogelijkheden van duurzame energievoorziening te verkennen. Geïnspireerd door een artikel in ‘De Kleine Aarde’ werd mijn focus in eerste instantie gelegd op het opvangen en hergebruiken van afvalwarmte die normaal via de schoorsteen verloren gaat. Tijdens een project in Portugal, waarbij een zogenaamde ‘Butler’ woning werd gerealiseerd, kon ik deze visie verder ontwikkelen. Het geprefabriceerde stalen bouwsysteem maakt door de sterke structuur grote open ruimtes zonder draagmuren mogelijk. Bij dit specifieke bouwproject werd een innovatief systeem geïntegreerd waarbij door de zon verwarmde lucht naar de kruipruimtes werd getransporteerd, om vervolgens via roosters de woning te verwarmen. Ik voelde me een pionier in Bunnik en omgeving met de plaatsing van een windmolen en zonnepanelen, o.a. op mijn eigen dak in de Rijnzichtlaan. Hoewel de markt in de jaren 70 nog niet direct warm liep voor milieuargumenten, bleek de aanpak succesvol met de uiteindelijke installatie van zo’n honderd zonnecollectoren. Om de efficiëntie te verhogen, werd in samenwerking met een boilerfabrikant een speciaal type boiler ontwikkeld en in productie genomen, specifiek geschikt voor zonne-energie. De bedrijfsstrategie van mij was volledig gericht op een geleidelijke transitie naar de productie en installatie van zonne-energiesystemen, met de nadruk op warmwatervoorziening. Dit pionierswerk was echter niet zonder uitdagingen, zeker nadat het ontwikkelingskrediet voor duurzaamheid na 1977 abrupt werd stopgezet. Bunnik zat midden in de ontwikkeling van diverse uitbreidingsplannen. In 1976 was de realisatie van de Kromme Rijnwijk zover gevorderd, dat de koop- en huurhuizencommissies werden samengevoegd tot de Technische Commissie. Dit gebeurde om de bewoners van de nieuwe woningen beter te ondersteunen. Als een van de vaste leveranciers hield ik mij voor de TC bezig met de installatie en het onderhoud van gasgestookte cv-installaties, evenals met onderzoek en advies op het gebied van energiebesparing.

‘Ik schrijf gewoon, en wie ’t lezen wil is welkom’. Thea Beckmann, geboren Petie (Rotterdam 1923 – Bunnik 2004) pakt haar koffer en reist vanuit haar woonplaats Bunnik voor haar boek KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) naar de plekken waar het allemaal gebeurde. Zij trekt door het Rijndal tot Straatsburg, slaat dan af om de weg te nemen door het zwarte Woud, ook steekt zij de Alpen over via Karwendel en Brenner om dan via Cremona naar Genua te gaan. Over de balans tussen feiten en fictie zegt Thea Beckman zelf; ‘Accuraatheid in de feiten is alsof je een harnas aantrekt van het verleden, je actieradius wordt hierdoor beperkt. Maar met dat harnas aan blijf je mens, en hoef je fantasie niet compleet uit te schakelen, zolang je de opgedoken feiten maar geen geweld aandoet.’ Thea Beckman trouwt in 1945 met Dirk Hendrik Beckmann, met wie ze twee zoons en een dochter krijgt. In 1956 zijn zij in Bunnik gaan wonen en hier schrijft Thea haar debuutroman, ANJERS VOOR ADELE, en haar eerste jeugdboek, DE ONGELOOFLIJKE AVONTUREN VAN TIM EN HOLDERDEBOLDER. Allebei werken waarvan zij later zegt dat ze best vergeten mogen worden. ‘Ik moest het vak nog leren’. Zij krijgt meer tijd in de zeventiger jaren wanneer haar kinderen uit huis zijn en komt KRUISTOCHT IN SPIJKERBROEK (1973) uit. Het boek levert haar een Gouden griffel en de Europese prijs voor het beste historische jeugdboek op. Het boek is verfilmd. Het wonen in Bunnik is wonen dichtbij Utrecht. Hier staat zij midden in de middeleeuwen en de volgende stap die ze wil maken is de studie Sociale Psychologie aan de Universiteit in Utrecht. In 1981 studeert ze af. Ze schrijft haar doctoraalscriptie over de invloed van boeken op de jeugd. Het historische kinderboek stond nog in de kinderschoenen. Zo ontwikkelt ze zelf een onderzoeksmethode om deze invloed te meten en komt tot de volgende conclusie; ‘Ofschoon dit onderzoek er niet geheel in geslaagd is de directe invloed van jeugdboeken op jonge lezers aan te tonen, zijn er wel aanwijzingen dat er van enige invloed sprake is, maar ook dat de relatie kind/boek veel gecompliceerder is dan algemeen wordt aangenomen.’ Eén voorval vertelt ze bij bijna al haar lezingen en interviews. In de brugklas van het voortgezet onderwijs werd door de docent DE VIER HEEMSKINDEREN  van Felix Timmermans voorgelezen. Ze had meteen geantwoord dat ze het een geweldig historisch verhaal had gevonden. Enkele maanden later kwam ze erachter dat het boek een navertelde middeleeuwse ridderroman was,  ‘meer legende dan feit’. In Beckmans beleving had Felix Timmermans dus aan geschiedvervalsing gedaan om een mooi verhaal te vertellen. Ze nam het de schrijver erg kwalijk en wilde nooit meer iets van zijn hand lezen, want ze vertrouwde hem niet meer. Toen ze zelf historische jeugdboeken ging schrijven nam ze zich voor dat de feiten moesten kloppen. Wie zich prompt bedrogen voelde bij het lezen van Kruistocht in Spijkerbroek was Kees Fens (1929 – 2008). Hij vindt haar schrijftaal te modern. Hij vergelijkt het boek met de historische jeugdroman Fulco de minstreel van de auteur Cornelis Johannes Kievit (1892). Deze schrijft het verhaal zo, dat de lezer meteen al in de eerste paar zinnen midden in de 13e eeuw staat. ‘Uit het binnenste van de meester welde het verhaal, en al vertellend vertelde eigenlijk alles en iedereen mee.’ In Thea Beckman haar boeken spreekt vooral het heden een woordje mee in het verleden. In kinderboeken gaat de fantasie nog door en zij doorbreekt de grenzen van ruimte en tijd. In Kruistocht in Spijkerbroek komt een vijftienjarige jongen uit Amstelveen van 1973 via een tijdmachine terecht in het jaar 1212, waarin hij zich aansluit bij de kinderkruistocht. Dit idee berust op de middeleeuwse denkwereld van Christenen die geloofden dat zij eens zouden worden als engelen, wezens tussen hemel en aarde, die al half in de eeuwigheid leefden en die het ene moment in Rome en het andere in Jeruzalem konden zijn.  Een historisch kinderboek is grensverleggend, heeft meer mogelijkheden dan welk ander genre boek ook. Kinderen worden geconfronteerd met en aan het denken gezet over zaken, problemen en toestanden. (Lea Dasberg, 1981) Het werk van Thea Beckman is vele malen bekroond. In 2003 ontvangt zij de in het leven geroepen Bontekoeprijs voor het beste historische jeugdboek voor ‘GEKAAPT!’ Het jaar daarna in de nacht van 4 op 5 mei, overlijdt Thea Beckman. De Bontekoeprijs wordt hernoemd tot de Thea Beckmanprijs. Deze prijs wordt elk jaar in het derde weekend van september in Archeon uitgereikt voor het beste historische jeugdboek.

STICHTSE BEGUNSTIGER RUDOLF VAN BUNNIK 1239 Een Dominus in Bunnik, Rudolf van Bunnik, broeder van het Duitse Huis, komt in de eerste goederentransactie na de oprichting van het Duitse Huis voor. Het is een tweeledige schenking die werd uitgevaardigd in 1239. Een uitzonderlijk hoog bedrag. Wie is hij. Hij behoorde tot de top van de ministerialiteit van de bisschop en bezat de curtis in Bunnik in de 13e eeuw. Van deze bisschoppelijke vroonhof, herenhoeve met vroonland, bezat Rudolf van Bunnik niet enkel goederen, hij was zelfs naar de plaats vernoemd. Politiek en patronage De oprichting van het Duitse Huis. Met de dood van bisschop Otto III van Holland in 1249 begon een nieuw tijdperk met het Holland Huis als ondersteuning van het Duitse Huis in Utrecht, waarbij Willem II van Holland een belangrijke rol speelde. Dit verstevigde de banden tussen de Hollandse gravenfamilie en het Duitse Huis, wat cruciaal was voor de ontwikkeling van het Duitse Huis tot landcommanderij.  De vroegste bezitsvorming van het Duitse Huis in Utrecht was sterk gekoppeld aan kruistochtexpedities. De eerste verwerving van goederen betrof schenkingen van deelnemers aan de vijfde kruistocht. De kruistocht tegen opstandelingen in Drenthe stimuleerde ook de oprichting van de commanderij, en rond 1248 groeide het bezit van de orde door de kruistocht van graaf Willem II van Holland naar Aken. Deze graaf, die zichzelf Rooms koning mocht noemen, resideerde op het Haagse Binnenhof, waarmee hij zijn omgeving in Holland, Vlaanderen en Gelre overtrof en tegelijkertijd de vechttaak van het Duitse Huis ondersteunde.  Rudolf van Bunnik Zo vinden we al in een vroeg stadium van de oprichting van het Duitse Huis een eerste goederentransactie in Bunnik. Het vond plaats in 1239 en werd afgerond in 1257. Herman droeg het vruchtgebruik van zijn moederlijk erfgoed over aan zijn vader Rudolf van Bunnik, een broeder van het Duitse Huis, mogelijk om intredeschenkingen te omzeilen. Herman legateerde ook honderd mark aan het Duitse Huis na zijn overlijden, ter ondersteuning van het zielenheil van zijn voorouders èn het Heilige Land. De erfenis werd in 1243 door Splinter, ridder en bisschoppelijk rechter, als rechtmatig erkend. De naam Splinter komen we later tegen bij Beverweerd.  In 1256 droeg Aleid, de weduwe van Herman, honderd mark en acht Utrechtse ponden over aan het Duitse Huis, met een wisselkoers van 26 schellingen in een pond, wat neerkwam op 138 ponden. Een aanzienlijke schenking, groter dan eerdere donaties. In meerdere opzichten was de schenking een continuering van de stichtingsfase. Zo noemt Herman als motief voor zijn schenking de steun aan het Heilige Land. Bovendien was de Utrechtse bisschop net als bij de eerdere goederen transacties op de achtergrond betrokken. Bisschop Hendrik van Vianden bevestigde in 1255 de schenking van de honderd mark, waarschijnlijk omdat Herman kort daarvoor was overleden, maar ook omdat het erfgoed toebehoorde aan zijn curtis in Bunnik. In tegenstelling tot de vermoedelijke hof in het Lijnpad was die van Bunnik in 1239 nog wel operationeel. Dit blijkt eveneens uit het hofgerecht waarvoor Herman zijn schenking uitvoerde. Elect bisschop Otto III van Holland, eigenaar van de hof, trad daarbij op als zegelaar.  Everardus Villicus, de hofmeier op de curtis in Bunnik, was bij deze schenking van goederen ook aanwezig. Dit betekent niet dat het hofstelsel in zijn klassieke vorm met horigen hier nog volop functioneerde. Cees Dekker maakt in zijn studie over het Kromme Rijngebied aannemelijk dat die exploitatievorm in het Nedersticht in de eerste helft van de dertiende eeuw al grotendeels was ontmanteld. Mogelijk waren er nog half vrijen verbonden aan de hof en onderscheidde het takenpakket van meier Everard zich enkel nog dat van een schout door de inning van hofgeld. Van deze bisschoppelijke vroonhof bezat Rudolf van Bunnik niet enkel goederen, maar was hij ook zelfs naar de plaats vernoemd. Dat hij tot de top van de Stichtse ministerialiteit behoorde, blijkt uit het feit dat hij in de oorkonde van 1243 Dominus werd genoemd.  Vervolgens zijn er geen schenkingsacties vanuit de Stichtse ministerialiteit waarneembaar tot 1247.

Van Végé winkel, naar RABO bankje tot appartementencomplex (2026) Op de hoek van de Provincialeweg, Molenweg en Dorpsstraat in Bunnik stond in de jaren zestig en zeventig een witgepleisterd pand. Het was het woonhuis met levensmiddelenzaak van Herman en Riek van de Brug-Beemer, Molenweg 1. De Végéwinkel werd in 1983 afgebroken waar een modern gebouwtje voor in de plaats kwam, met daarin het RABO-bankje, een tijdelijk herkenningspunt op het kruispunt dat overgaat in de Stationsweg. Tot 2026 is deze locatie opnieuw veranderd naar een appartementencomplex. Het witte huis aan de Molenweg 1  Het pand aan de Molenweg heeft voor de familie een bijzondere betekenis: drie generaties hebben er gewoond en gewerkt. In dit huis leefden Riek en Herman met hun acht kinderen. Na hun huwelijk in 1952 begonnen zij hier een eigen levensmiddelenzaak. Het pand was destijds eigendom van de ouders van Riek: Marie Sterkenburg (1888-1958) en Toon Beemer (1886-1966). Al eerder speelde het pand een belangrijke rol in de familiegeschiedenis. De vader van Marie, Steven Sterkenburg (1853-1934) vestigde er een schoenmakerij. Marie was in 1921 getrouwd met Toon Beemer en samen kregen zij vier kinderen, van wie Riek de jongste was. Herman kocht zijn kruidenierswaren in bij de VéGé (Verkoop Gemeenschap, een voormalige Nederlandse landelijke organisatie van zelfstandige kruideniers. In de jaren zestig werd de winkel uitgebreid en heringericht naar een supermarktmodel. De familie had een lange traditie in levensmiddelen en thuisbezorging, overgenomen van de ouders van Herman. De man haalde wekelijks de boodschappenlijstjes op en bezorgde daarna de bestellingen, terwijl de vrouw achter de toonbank stond. De bezorging geschiedde aanvankelijk met een mandfiets; later kon een bestelauto worden aangeschaft. Suiker, zout, erwten e.d. werden ’s avonds na sluitingstijd uit grote balen gehaald en alvast in zakjes gedaan van een pond, vertelt dochter Anneke van Eck-van de Brug. In de jaren ‘70 hielp zij in de winkel, vooral in het verkopen van OLA ijs buiten! Dit moet de tekenaar Rodrigo zijn opgevallen! De ijskar met parasols en banken was rond eind jaren ’60 een geliefde ontmoetingsplek voor jongeren die hun Puch- of Tomos-bromfiets graag aan belangstellende meisjes lieten zien. Toen de Rabobank deze locatie op het oog kreeg, volgde er zowel letterlijk als figuurlijk veel wikken en wegen. Het winkel centrum aan de Van Hardenbroeklaan werd gebouwd en Herman kreeg de mogelijkheid om daar de winkel als volwaardige supermarkt voort te zetten.  Hij was inmiddels 60 jaar en de voorwaarden voor zo’n overstap vond hij veel te bindend. Het aanbod van de Rabobank om het pand Molenweg 1 te kopen kwam precies op het goede moment. Het bleek financieel mogelijk om te stoppen met de winkel en een huis aan de Zuster Spinhovenlaan aan te kopen. Het witgepleisterde huis werd in 1982 afgebroken voor de bouw van het pand van de Rabo, wat nu nog zichtbaar is, tot 2026. Petrus Wilhelmus (Willem) van de Brug Het spoor gaat terug naar opa Petrus Wilhelmus (Willem) van de Brug, naar het begin van de 20e eeuw. Willem van de Brug woonde met zijn familie in de Langstraat, één van de oudste delen van Bunnik. Hij had hier een winkel met ‘koloniale waren”. We zien hem bij zijn hondenkar met levensmiddelen staan. Hij is dan onderweg met zijn zoon Herman, die van een klant een (kapotte) wekker cadeau heeft gekregen. Willem trok met zijn waren doordeweeks langs boerderijen via de Achterdijk tot aan Cothen toe. Het is dus waarschijnlijk geen toeval dat hij zijn vrouw in die woonplaats heeft gevonden. Petrus Wilhelmus (Willem) van de Brug en Johanna Lamberta (Anna) van Woudenberg trouwden op 5 september 1919 in Cothen.  Op de foto staan vader en zoon op de plek waar nu de blinde zijgevel van Albert Heijn is. De foto is genomen rond 1926 waar destijds deze huisjes met een poortje hebben gestaan. Rechts van deze huizen stond gemeenteschool/gemeenschapsgebouw, de Grondslag.  De woninkjes aan de Langstraat lagen nabij de levendige Loswal, waar veel goederen werden gelost. Helaas overleed Willem in 1942 op 52-jarige leeftijd, een gezin met zes kinderen achterlatend. Herman, de oudste jongen, werd automatisch kostwinnaar (ondanks dat zijn hart naar een groen beroep uitging). Die status zorgde er wel voor, dat hij niet voor dwangarbeid in Duitsland werd opgeroepen.

- Ruim 275 jaar een begrip in Bunnik -  De familienaam van Manen is een oude Bunnikse naam die al voorkomt vanaf begin 18e eeuw en is daarmee ruim 275 jaar een begrip in Bunnik. Niet alleen voor oud-Bunnikers maar tot de dag van vandaag bekend bij alle inwoners van het dorp Bunnik en omstreken. De naam ManenHoewel van Manen een echte Bunnikse naam is verwijst de naam naar een buurt of buurtschap bij Ede met de naam Manen. Manen was een kleine en zelfstandige buurt met eigen buurtrichter en buurtmeester. De buurt (buurtschap) bezat ook grondgebied.  Derck Gijsbertse is rond 1660 geboren in de buerte Manen en wordt genoemd in het Buerboek van de buerte Manen. Zijn zoon Jan Dirckzn van Maanen (ca. 1690 - 1749) verhuist naar Driebergen in 1708 en neemt als achternaam de naam van zijn oude woonplaats. De zoon van Jan Dirckzn van Maanen is Pieter van Manen en hem komen we als de eerste van Manen tegen in Bunnik.  Pieter van ManenIn 1747 wordt Pieter van Manen (1719 - 1791) in de Leydse Courant Schipper van Bunnik genoemd. Hij is niet alleen schipper, maar ook schepen van Bunnik en Vechten van 1758 t/m 1775. Een belangrijk man in het dorp. Hoewel de beroepsomschrijving anders doet vermoeden wordt Pieter wel schipper genoemd, maar is hij schipper in dienst bij de aangestelde schipper van Bunnik, Cornelis van ’t Voort, die dan in De Witte Huisjes woont. Pas in mei 1781 doet Maria van Mansum (? - 1798), de weduwe van Cornelis van ‘t Voort vrijwillige afstand van het schippersambt, zodat Pieter dat op 62-jarige leeftijd officieel kan gaan bekleden en hij aangesteld wordt als Schipper van Bunnik. Een jaar later, in 1782,neemt hij een lening bij de diaconie van Bunnik voor f 195 voor de koop van een nieuwe Crommenrijnsche schuijt. Na het overlijden van Pieter van Manen in 1791 wordt zijn zoon Jacobus van Manen (1763-1839) aangesteld als schipper van Bunnik en Vechten. MelkhandelIn 1805 woonde Jan van Manen (1750 - 1829), die ook een zoon van Pieter van Manen (1719-1791) is op de Langstraat 50 . Uit het tweede huwelijk van Jan van Manen wordt Pieter van Manen (1797 - 1879), arbeider in Bunnik geboren. Ook de zoon van deze Pieter, Johannes van Manen (1840 - 1922) wordt in Bunnik geboren. Hij is van beroep koetsier. Zijn zoon Hendrikus van Manen (1877 - 1940) is o.a. veehouder in Bunnik aan de oude Groeneweg 200 (nu Tureluurweg 14). Zoals veel Bunnikers heeft hij, vanaf 1914, ook een handel in fruit. Hij verkoopt onder andere kersen en aardbeien uit eigen boomgaard. In 1932 begint hij vanuit zijn boerderij op de Tureluurweg de melk van zijn eigen koeien bij de mensen thuis te brengen.  In 1938 nam hij de melkwijk over van zijn buurman Frans Veldhuizen (1889-1978) toen die er mee stopte. In de jaren 40 en 50 is de concurrentie in de melkverkopen in Bunnik hard. Later in de jaren 50 krijgen alle melkboeren een eigen ‘melkwijk’. Hendrikus gaat met een bakfiets de volle en zware melkbussen in heel Bunnik rond. Dat is in die tijd heel gewoon, want dat doen bijvoorbeeld ook de Bunnikse bakkers en slagers. In oktober 1940 overlijdt Hendrikus plotseling op 63-jarige leeftijd. De zonen van Hendrikus, Kees en Piet, nemen het familiemelkbedrijf over. Cornelis (Kees) Johannes van Manen (1915 - 1999) en zijn jongere broer Piet van Manen (1926 - 2001) gaan na hun lagere schooltijd direct bij hun vader werken. Ze kunnen gelijk met de transportfiets Bunnik rond. Ze hebben een melkbus met een kraantje, ca 8 flessen en 20 pakjes boter bij zich. Na de bakfiets komt de pony met wagen en daarna paard en wagen, in de jaren ‘70  gevolgd door de elektrische kar. Het gebruikmaken van paard en wagen was niet uit zuinigheid, maar puur praktisch en snel. In 1950 verplaatst Cees de melkhandel naar een winkel op de Dorpsstraat 32.  De winkel op de Dorpstraat eind jaren 80. Links de winkel van Ans van Manen (dochter Kees van Manen) en rechts de winkel van Jan van Manen. (foto Bunnik Zo was het…Zo is het. Arie van de Gaag). In 1980 wordt Kees 65 jaar en doet hij de winkel over op zijn zoon Jan van Manen (1959-2023). Broer Piet stopt met werken in 1987. Jan van Manen gaat verder met de winkel als Kaas- en notenzaak. Jan moderniseert de winkel en breidt het assortiment van binnenlandse kazen ook uit met buitenlandse kazen. In 2006 is het opnieuw tijd om de winkel een nieuwe uitstraling te geven en wordt de winkel verbouwd. In de winkel van Jan en zijn vrouw Els zijn behalve kazen ook streekproducten te vinden en natuurlijk, zoals voorheen, melk en eieren. In 2021 heeft Jan van Manen zijn winkel na 42 jaar, i.v.m. gezondheidsredenen, moeten verkopen. begrip in Bunnik - 


Nieuws: